112 Ervaringen

112 Ervaringen 10

Mayday, mayday

Ik werk vandaag met Hans, een oude rot in het vak en een van de grote grapjassen van de afdeling. Het is een rustige dag, weinig ritten gedaan, en ook nu nog geen melding.
Dus ik ga maar wat huishoudelijke klussen doen en ga de gewassen kleding maar opruimen. Ik daal af naar de kleedruimtes in de kelder en begin te ruimen. Wanneer ik op de helft ben hoor ik mijn collega van boven roepen “We hebben een A1, er is een vliegtuig neergestort.”
“Ja hoor Hans! Echt niet!” roep ik nog.“Echt wel zuster!” en weg is ie.
Shit, het is echt! Ik spurt de trap op en loop naar de auto.
In de wagen brengt Hans me op de hoogte van de melding, daar ik in de kelder met ons ouwe communicatiesysteem geen ontvangst had en deze dus nog niet gehoord heb.
Vlakbij Eindhoven Airport is een cessna door brandstoftekort in de problemen gekomen en is in een nabijgelegen akkerland neergestort. Het gaat om 1 slachtoffer. We zijn tweede wagen. 

Ter plaatse aangekomen zien we een cessna aardig in de vernieling in het midden van een akker liggen. Het is letterlijk in stukken gebroken. Eromheen krioelt het van de hulpverleners, onze collega’s, medewerkers van de ambulancedienst van de luchtmachtbasis en de brandweer zijn allemaal al aanwezig. De akker is erg los van structuur dus we moeten behoorlijk ploeteren om ter plaatse te komen. Halverwege krijg ik via de porto de vraag van de collega’s bij het vliegtuig of ik de reservezuurstoffles wil gaan halen. Al mopperend, “hadden ze dat niet net wat eerder kunnen bedenken” draai ik om en ploeter weer terug om de fles te halen. Uiteindelijk aangekomen bij het vliegtuig zijn de collega’s al druk doende met het slachtoffer, die ongelooflijk genoeg nog bij kennis is. Ik maak een infuus klaar en trek wat pijnstilling open en verwissel de inmiddels leeggelopen zuurstoffles. Het slachtoffer heb ik nog niet gezien, die gaat verscholen in de kleine cockpit en achter de diverse hulpverleners. 

Vervolgens ploeter ik weer door de akker terug naar onze auto’s. Ik draai de auto van onze collega’s om zodat ze, zodra ze het slachtoffer in de auto hebben, meteen weg kunnen rijden.
Samen met de brandweer kijk ik waar we het beste met het s.o. door de groenstrook kunnen sjouwen. De normale ingang naar het akkerland is natuurlijk helemaal aan de andere kant van de akker.
Ik haal de brancard uit de auto en zet hem klaar om er zo meteen het slachtoffer, dan liggend op de wervelplank, op te kunnen leggen. Terwijl de brandweer zich letterlijk een weg gaat banen door de groenstrook, loop ik met de wervelplank en toebehoren weer terug naar het vliegtuig. Halskraag hadden de collega’s van de eerste wagen al meegenomen en zit inmiddels al om de hals van het s.o.
Bij het vliegtuig aangekomen hebben de collega’s al een plan de campagne opgesteld om het s.o. uit het vliegtuig te halen.
Het eruit halen van het slachtoffer verloopt met het nodige gepuf en gesteun van de diverse hulpverleners, het slachtoffer is namelijk niet bepaald licht te noemen. Omdat iedereen goed weet wat er van hen verwacht wordt gaat dit toch soepel en snel. Het slachtoffer wordt meteen op de wervelplank geschoven en met de riemen vastgelegd.
 

neergestorte cessna

En dan begint de terugtocht naar de auto.
Met acht brandweerlieden die de plank dragen, verpleegkundige van de eerste auto die aan het hoofd van het slachtoffer meeloopt en de monitor draagt, en ik loop met de spoedkoffer te zeulen, ploeteren we terug naar de groenstrook. Onze voeten zakken diep in de losse grond. De brandweer is met genoeg man aanwezig en kan onderweg de dragers aflossen. In de groenstrook hebben ze ondertussen een mooi pad vrijgemaakt en kunnen we zonder valpartijen doorlopen en met grote opluchting de wervelplank op de brancard leggen. Brancard wordt in de auto geschoven, alle spullen worden ingeladen en ze vertrekken richting ziekenhuis. Het slachtoffer is stabiel dus mijn maatje hoeft niet met ze mee. 

We stappen weer in onze auto en rijden rustig terug naar onze post. 
“Zo dat hebben we ook weer gehad” zegt mijn maat. “Het was maar goed dat hij in die zachte grond terecht gekomen is, anders had het er een stuk slechter voor hem uitgezien.”
“Nou, volgens mij heb ik morgen spierpijn door die zachte grond” zeg ik tegen hem, “ben iets te vaak op en neer gelopen geloof ik!”
En inderdaad de volgende dag kan mijn maat hartelijk lachen om mijn enigszins moeilijke passen.

112 Ervaringen 9

Ons vrouwtje

Het is al wat later op de avond wanneer onze portos er ons op attenderen dat het werk er nog niet op zit. We worden op pad gestuurd voor een A2.
In een appartementencomplex is een oudere dame uit 1903 tijdens het verplaatsen van stoel naar rolstoel vast komen zitten met haar been en dat is toen helemaal verdraaid en is nu dik en erg pijnlijk.Roger en ik kijken elkaar aan, 107?? Wat gaan we nu weer aantreffen. 

Bij het complex aangekomen laden we de koffer op de brancard en nemen beide mee, op zoek naar het juiste appartement.We bellen aan en er doet een mevrouw open.
“Hallo, worden wij hier verwacht?” zegt Roger.“
Jazeker, kom maar verder ze zit in de woonkamer.” Ze heeft een warme, prettige stem en stelt zich voor als Helma van de thuiszorg.
Ook wij stellen ons voor en lopen vervolgens Helma achterna naar de woonkamer. 

Het appartement is groot en ruim, helemaal ingericht voor rolstoelgebruik. Onze brancard kan dus met het grootste gemak mee naar binnen. In de woonkamer treffen we onze patiënt aan, een klein hoopje mens in een rolstoel. Haar linkerbeen steunt op een andere stoel en van ver kunnen we al zien dat het onderbeen en de enkel erg dik zijn.We geven onze patiënt een hand en stellen onszelf voor.Mijn collega vraagt haar wat er gebeurd is.
“Ik werd van de stoel in de rolstoel geholpen en toen kwam mijn voet vast te zitten, maar dat had de zuster niet gemerkt dus die draaide me door. Ja, en toen ging het mis.”

Haar stem verrast me. Niets klein hoopje, een vrouw die niet mis is zit hier tegenover me. Een heldere blik en een nog altijd vrolijke kijk op de wereld.
“Waarom zit ze eigenlijk in de rolstoel?” vraagt Roger.“Ze heeft vier weken geleden haar rechterheup gebroken en daar was ze van aan het revalideren. Het ging hartstikke goed, ze liep weer vlot.” vertelt Helma ons. “Dus dit is wel erg zuur voor haar.”
Ik zie dat het ponsplaatje van het ziekenhuis en de medicijnlijst al op de tafel klaar liggen. Terwijl ik deze op pak om aan mijn collega te geven valt mijn blik op de geboortedatum van mevrouw.“Verhip, geboren op 03-03-03, dat is een mooie datum. ”zeg ik.“
Ja, en ze is ook nog de oudste mevrouw van Eindhoven hoor.”zegt Helma met een lach op haar gezicht.
“Ohh, da’s wel heel bijzonder.” zegt Roger. “Dan moeten we extra zuinig op u zijn.”
“Ach jongen, doe niet zo gek.” is het antwoord van mevrouw.
“Mevrouw, ik ga u wat tegen de pijn geven, en dan tillen we u op onze brancard.” zegt Roger. “Ik weet dat het niet netjes is om te vragen aan een dame, maar hoeveel weegt u?”De pretlichtjes in de ogen van mevrouw worden steeds groter.“Ze weegt 30 kilo.” weet Helma ons te vertellen.“Okay, het moet niet gekker worden, geboren op 3-3-03 en 30 kilo in gewicht.” zeg ik terwijl ik Roger assisteer met het zetten van de naald en de medicatie voor hem optrek.
Roger dient de pijnstilling toe en vervolgens maken we de brancard op en plaatsen hem zo dat we niet ver met mevrouw hoeven te dragen. Ik til mevrouw op zodat Roger twee handen vrij heeft om het been te begeleiden. Ze weegt echt niks! We leggen haar op de brancard en brengen haar naar het ziekenhuis. Daar aangekomen kunnen we haar direct naar de röntgenkamer brengen. We wensen haar beterschap en geven nog een hand. Een oude benige hand behorend bij een klein lichaam waar nog een jonge, heldere geest in schuilt. Wat een geweldig vrouwtje!! Enkele dagen later, terwijl ik kantoordienst heb, spreekt Roger me aan.
“Collega’s hebben vandaag ons vrouwtje naar huis gebracht.”Ondanks dat we daarna toch al meerdere patiënten gezien hebben, ook vrouwen, weet ik meteen wie hij bedoelt.“Ze heeft een beenspalk gekregen en is al weer aan het revalideren”

Niet klein te krijgen, ons vrouwtje!!! 

112 Ervaringen 8

112

Melding: A1, eenzijdig ongeval auto/boom, 1 gewonde, is hard gegaan en de politie is ter plaatse, brandweer word meegestuurd. 

De nacht begint al te vallen wanneer ik met mijn collega Carlo naar het ongeval toe rijd. Gelukkig, want dat betekent dat het nu rustig op de weg is en dan schiet het lekker op. De weg waar we moeten zijn heeft een paar flauwe bochten en in een van die bochten moeten we zijn.
Allereerst zien we een politieauto langs de kant van de weg staan. Daarvoor een in elkaar gefrommelde auto die tegen een boom geparkeerd staat. Ja, dat is hard gegaan. 
We stappen uit en lopen naar de agenten toe die bij hun eigen auto staan.
We ademen wolkjes in de koude nacht en de jassen worden dicht geritst.
“Goedenavond heren.” Zegt mijn collega.
“Goedenavond, het slachtoffer zit bij ons in de auto, hij was er al uit toen wij aankwamen en we hebben hem maar in onze auto laten plaats nemen. Het is zo koud nu.”
Terwijl Carlo naar het slachtoffer toe loopt, ga ik naar zijn auto. Die is dus ongeveer een halve meter ingekort. Voorruit van binnen uit eruit gekopt en het stuur is enigszins verbogen. Inmiddels is de brandweer gearriveerd, en ik zie een brandweerman plaats nemen naast het s.o. achterin de politieauto.
Ik draai me om en loop weer terug naar Carlo die ondertussen het slachtoffer helemaal heeft nagekeken. De brandweerman zit langs het s.o. en houdt zijn hoofd vast, dit gaat niet helemaal soepel vanwege het feit dat het s.o. behoorlijk diep in verschillende glaasjes heeft gekeken. Ik vertel Carlo wat ik aan de auto heb gezien, zodat hij de impact van het ongeval in kan schatten. Vervolgens krijg ik van hem een korte samenvatting van wat hij heeft gevonden. De man is ABC stabiel (heeft dus geen problemen met de ademhaling of circulatie), hij is dronken en geeft drukpijn in de nek aan, voor de rest valt het allemaal wel mee.
“Dat wordt knippen,” zegt hij met een twinkeling in zijn ogen.
Ik kijk hem aan en zeg alleen maar, “Serieus?”
“Hartstikke.” Zegt hij, en tegen de bevelvoerder van de brandweer, “Het dak mag eraf.”
Hier en daar vertrekken de monden van de brandweermannen zich richting glimlach, maar ze blijven serieus. De twee politieagenten kijken Carlo aan en je ziet letterlijk het bloed uit hun gezichten wegzakken.
De brandweer gaat meteen aan de slag en halen de accupolen los en leggen al het knipmateriaal klaar. Wij maken ondertussen onze patient klaar, halskraag, infuusnaald en dergelijke.
Ondertussen worden we in zeer korte tijd door diverse bazen van ons, de politie en de brandweer gebeld met de vraag of we het echt menen. Ja dus.
Dat nieuwtje gaat dus wel heel erg snel rond. 

De man op de achterbank van de politieauto wordt een beetje onrustig en begint wat meer te bewegen. De brandweer staat klaar met de tang in de aanslag. De twee agenten staan er wat zenuwachtig bij te kijken.
“Nou,” zegt Carlo, “we zullen één keer proberen hem er voorzichtig uit te draaien, hij heeft ten slotte ook al rondgelopen voordat wij kwamen, maar als hij ook maar één kik geeft gaat het dak eraf.”
Je snapt het al, het lukt, je ziet de “he jammer” op de diverse gezichten, wat hadden ze toch graag die politieauto opengeknipt. De twee agenten daarentegen krijgen weer wat meer kleur op hun gezicht. We draaien onze patiënt voorzichtig op de wervelplank en leggen hem vast met de riemen. Dan de auto in.
Ik neem plaats achter het stuur en terwijl ik richting ziekenhuis rijd zie ik ondertussen de brandweer, enigszins teleurgesteld, de spullen weer inpakken en de accupolen vastmaken. En twee opgeluchte agenten in hun nog hele auto stappen. 

Later horen we dat de patient geen wervelletsel heeft.
Zijn ze allemaal goed weggekomen. 

112 Ervaringen 7

Eventjes slapen

We hangen al even op de post rond wanneer onze portos beginnen te piepen.A1, 57 jarige man, pijn op de borst, bleek klam zweterig, cardiaal bekend. ( al eerder hartproblemen gehad ). Huisadres in Geldrop.

Ik rij die dag met Tom, een vakkundige “pleeg” die bovendien erg leuk is om mee te werken. Na de nodige A1 capriolen in het verkeer komen Tom en ik bij het huisadres aan.
De deur staat al open en we lopen door naar binnen, bepakt met monitor zuurstof en spoedkoffer.
“Hallo! Ambulancedienst, waar moeten we zijn?” roept mijn collega.
“Hier.” klinkt het vanuit de zitkamer. We lopen door en zien op de bank een mijnheer zitten met een grauwe gelaatskleur, hij plukt wat aan zijn kleren en wrijft over zijn borst. Zijn vrouw komt uit de slaapkamer gelopen en is al van alles aan het verzamelen voor het ziekenhuis, ponsplaatje, medicijnlijst, schoon ondergoed en pyjama voor haar man.
“Dag mijnheer, ik ben Tom en dit is mijn collega Lia.”
“Er gaat even van alles gebeuren, we gaan u aansluiten aan onze monitor. Maken een hartfilmpje en aan de hand daarvan gaan we kijken naar welk ziekenhuis we gaan. Want als het een infarct is gaan we meteen door naar het Catharinaziekenhuis in Eindhoven.”
Terwijl Tom de man allerlei vragen stelt over zijn gezondheid en waar hij nu precies last van heeft, sluit ik de man aan en maak een hartfilmpje. De vlaggen op de ritmestrook laten overduidelijk een infarct zien. De nodige medicijnen worden gegeven, allemaal bloedverdunners, en Tom licht de man en zijn vrouw in dat we dus inderdaad naar het Catharinaziekenhuis gaan. Zijn vrouw zegt niet met ons mee te willen rijden, haar zoon is onderweg naar huis en zij gaan dan samen naar het ziekenhuis. We raden hen aan om dan meteen naar het St. Anna ziekenhuis te gaan, omdat de gehele operatie niet zolang zal duren en we dus vrij snel weer op de terugweg zullen zijn.
We leggen de man bij ons op de brancard en haasten ons naar de ambulance en even later door het drukke verkeer. Tom zit bij de patiënt en brengt ondertussen het ziekenhuis op de hoogte van onze komst.
Bij aankomst in het ziekenhuis worden we meteen naar boven gestuurd naar de hartkatheterisatiekamer (HCK).We rijden de brancard naast de behandeltafel en ik haal al ons draden van mijnheer af. Ondertussen doet Tom de overdracht aan de cardioloog. En vervolgens mag mijnheer naar de behandeltafel over schuiven.

We rijden de brancard naar buiten en bergen de kabels van onze monitor weer op. Wanneer we daar klaar mee zijn bellen we de meldkamer en geven door dat mijnheer na de behandeling weer terug moet naar het eigen ziekenhuis, en of we daar op mogen wachten. We gaan weer terug naar de HCK om de verdere behandeling te zien. De HCK is een operatiekamer met aan een zijde een grote speciale, gedeeltelijk glazen wand die de straling van de aanwezige röntgenapparatuur tegenhoud.
In de tijd dat wij onze spullen weer op orde gemaakt hebben, is mijnheer al voorbereid op de dotterprocedure, hij blijft hierbij volledig bij kennis. Bij deze procedure gaan ze met een katheter via de liesslagader naar de kransslagaders van het hart. Daar aangekomen wordt er contrastvloeistof ingespoten die door de röntgenapparatuur wordt gezien. Deze plaatjes laten zien dat mijnheer een flinke vernauwing in zijn kransslagaders heeft.
Via dezelfde katheter wordt er dan een ballonnetje ingebracht die ter hoogte van de vernauwing wordt opgeblazen en hiermee de vernauwing opheft. Om te voorkomen dat de vernauwing terugkomt wordt er vervolgens een stent geplaatst. Deze ziet eruit als een pennenveer en houdt de vernauwing open. Nadat er weer contrastvloeistof wordt ingespoten is duidelijk te zien dat het hart weer overal bloed aangevoerd krijgt, een mooi netwerk van bloedvaten wordt zichtbaar. Ik heb het al vaak zien gebeuren, maar het blijft mooi om naar te kijken. 

Terwijl de mensen van de HCK mijnheer aan het klaar maken zijn voor transport, zien wij aan de andere kant van de glazen wand opeens een hartritmeverandering op hun monitor verschijnen, mijnheer krijgt opeens een ventrikelfibrillatie.
We waarschuwen de verpleegkundigen die met de patiënt bezig zijn.
“Nee, er zal wel al een kabeltje los zijn.”zegt een van hen nog.
Onze patiënt is namelijk nog steeds bij kennis. Maar na controle van de kabels blijken deze toch nog goed te zitten, dus wel VF.
“Oh, okay.” Zegt de ene verpleegkundige, en pakt de paddels om mijnheer een schok toe te dienen. Deze is echter nog steeds wakker.
“Mijnheer, u gaat zo meteen eventjes slapen, niet bang zijn dat hoort er allemaal een beetje bij.” Zegt de andere verpleegkundige. Waarop mijnheer hen verbaasd aan kijkt maar op het moment dat hij wil reageren, verliest hij het bewustzijn. De verpleegkundige plaatst de paddels en dient een schok toe. De monitor laat vrijwel meteen weer een mooi ritme zien. En onze patiënt komt ook meteen weer bij. Hij kijkt een beetje verbaasd rond.
“U viel eventjes in slaap en wij hebben u weer wakker gemaakt” zegt de verpleegkundige. “Maar nu is alles in orde en kunt u weer terug naar het st. Anna ziekenhuis.” 

We leggen mijnheer weer op onze brancard en brengen hem naar Geldrop naar de hartbewakingsafdeling. Daar zitten zijn vrouw en zoon al op ons te wachten. In de privacy van de kamer, nadat we mijnheer in het ziekenhuisbed hebben gelegd, vertellen we mijnheer en zijn familie toch maar even wat dat eventjes slapen nou precies was. Ze zijn danig onder de indruk.
“Jullie waren zo rustig, en ook de mensen ginds, dat ik eigenlijk helemaal niet in de gaten had hoe ernstig het allemaal was.” zegt mijnheer.
“Dat is ook de bedoeling” zegt Tom “want hoe rustiger u bent hoe makkelijker uw hart het heeft.”
We wensen hem beterschap en gaan terug naar onze auto waar we ons weer vrijmelden.

112 Ervaringen 6

Blijven lopen

Het is nog vroeg in de ochtend wanneer mijn maatje Marga en ik opgeroepen worden voor een B-rit.
In een verzorgingstehuis is een mevrouw op de grond gevonden, die vermoedelijk een collumfractuur heeft opgelopen. ( Dit is een breuk van de dijbeenhals, in de volksmond een gebroken heup.) Ze ligt inmiddels weer in bed. Huisarts is geweest en vraagt of wij mevrouw naar het ziekenhuis willen brengen voor een röntgenfoto. 

Wanneer Marga en ik in het verzorgingshuis aankomen worden we door de verzorging op de hoogte gebracht van het gebeuren. Mevrouw is 94 jaar, normaal heel gezond en vief, is ergens gedurende de nacht gevallen en tijdens de ochtendronde langs haar bed op de grond gevonden. Ze kon zelf niet meer overeind komen en had het erg koud gekregen. De zusters hadden de dokter gewaarschuwd.
Na haar onderzocht te hebben, vermoedde hij een collumfractuur omdat ze niet op haar rechterbeen kon staan. Omdat ze toch al half overeind stond hadden ze haar samen weer in bed geholpen en lekker warm toegedekt.  

We lopen de kamer binnen en zien dat mevrouw heerlijk ligt te slapen. Haar gezicht, door het leven getekend en omlijst door witte haren die lekker in de war zitten, komt nog net boven de dekens uit. We maken haar voorzichtig wakker, toch schrikt ze er nog een beetje van en beweegt haar benen.
Ze kijkt ons verbaasd aan, en vraagt wat er aan de hand is.
“De dokter heeft gevraagd of wij u naar het ziekenhuis willen brengen.” zegt Marga, nadat we ons hebben voorgesteld.
“Naar het ziekenhuis?” vraagt mevrouw verbaast, “waarom dan?”
Ondertussen gaan de benen van mevrouw aardig op en neer onder de dekens. Marga en ik kijken elkaar met een veelbetekende blik aan. Als die kapot is eet ik mijn klomp op. Die heb ik geen, dus dat kan ik rustig zeggen. 
“De dokter denkt dat er iets niet goed is met uw been” zegt Marga, ”Mogen wij daar even naar kijken?”
“Ja natuurlijk” zegt mevrouw. En Marga slaat de dekens terug.
“Kunt u uw benen optillen?” en de benen vliegen omhoog.
“Kunt u ze ook van links naar rechts bewegen?” en de benen gaan alle kanten op.
“Kom maar eens op de rand van het bed zitten, dan zullen we eens kijken of u nog kunt gaan staan.” Mevrouw zwaait haar benen over de rand en met een beetje hulp van ons staat ze met beide benen op de grond.
“Nou dat gaat goed,” zegt mijn maatje.
“Die is dus echt niet kapot hoor.” zegt Marga tegen de verzorging. “Ik denk dat ze door de kou en het lange liggen stijf en stram was geworden en nu ze weer lekker opgewarmd is, kan ze alles weer normaal bewegen. We zullen haar nog even naar de stoel laten lopen om te kijken of dat ook goed gaat.”
En met mevrouw tussen ons in wandelen we op ons gemakje naar de andere kant van het kleine kamertje naar de stoel. Met een plof laat ze zich in de stoel vallen.
“Hé, hé, wat een gedoe toch allemaal,” zucht ze.
Marga richt zich tot de verzorging. ”Nou mevrouw hoeft niet met ons mee hoor, die heeft echt niets gebroken.”
Waarop mevrouw verschrikt reageert, “Gebroken, ik heb toch zeker niets gebroken?”
“Nee hoor mevrouw, u kunt gewoon blijven lopen.”
“Ja, dat moet ook wel, want je moet blijven lopen om het einde te halen. En ik wil wel het einde halen hoor!!” 

Dat was toch zo’n mooie en ware uitspraak. Een paar simpele woorden die zoveel omvatten. We hebben mevrouw uiteraard lekker thuis gelaten en ons weer vrij gemeld.    

112 Ervaringen 5

Inmiddels helemaal “los”op de auto zoals ze dat bij ons noemen, dus geen begeleider meer. Johan is die dag mijn collega. Een man met vele jaren ervaring. Onervaren mensen worden altijd gekoppeld aan iemand van de “ouwe hap”. Na al diverse ritjes gedaan te hebben kunnen we eindelijk gaan eten.
Johan steekt net de eerste lepel in zijn mond wanneer onze portos even duidelijk laten horen dat het werk nog niet gedaan is.
A1 eenzijdig ongeval op de A2 richting Eindhoven, afrit Ekkersrijt.
Auto over de kop in de berm, bestuurder uit de auto geslingerd, brandweer en politie rijden mee, en tweede wagen wordt aangestuurd. 

We zitten vandaag in Best op de post, de plek des onheil is dus niet zo ver weg. We rijden de snelweg op en vrijwel meteen is daar de afrit al. We nemen de afrit en komen in een bocht en daar zien we een mooie Mercedes, die gereduceerd is tot een hoop schroot, op zijn kop in de berm liggen. Onderweg naar zijn eindpunt heeft hij niet alleen zijn bestuurder eruit gegooid maar ook nog een groot ANWB bord omgeploegd. Onder dit bijna tot de grond toe omgebogen bord vinden we de bestuurder. Bijna net zo erg in puin als de auto waar hij in reed.
Hij is neurologisch zo slecht dat hij geintubeerd moet worden zodat we hem kunnen beademen. Die heeft dus een flinke smak met zijn hersenpan gemaakt. Binnen enkele minuten heeft onze patiënt een buisje in zijn keel en wordt zijn ademhaling ondersteund door mijn collega die regelmatig een keer in de ambuballon knijpt. Dan arriveert de tweede wagen. Onze patiënt wordt aan de monitor gelegd, zodat we zijn vitale functies beter in de gaten kunnen houden, krijgt een infuus, wordt van top tot teen nagekeken op andere verwondingen, en vervolgens met een halskraag om voorzichtig op de wervelplank gedraaid en vastgesnoerd.
Zo, klaar voor transport. We zijn alles bij elkaar nog geen 20 minuten bezig geweest. We tillen de plank op de brancard en schuiven deze voorzichtig in de ambulance. De patiënt is verder stabiel, d.w.z. een goede bloeddruk en hartslag en met beademing is ook het zuurstofgehalte in het bloed goed. Dus onze collega’s besluiten in overleg met Johan om niet mee te rijden naar het ziekenhuis en zich weer vrij te melden. Ik rij met A1 naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, het Catharina ziekenhuis in dit geval. Terwijl we aan het rijden zijn hoor ik mijn collega een vooraankondiging doen aan het ziekenhuis, zodat zij weten wat er zodadelijk hun eerste hulp op komt.
Wanneer we bij het ziekenhuis richting eerste hulp rijden zien we de deur al open staan en kunnen meteen de garage binnen rijden. Daar worden we opgevangen door verpleegkundigen van de eerste hulp die ons naar de juiste kamer brengen en daar waar nodig helpen. Binnen in de traumakamer staat al een heel team van doktoren en verpleegkundigen te wachten om onze patiënt over te nemen. Johan draagt de patiënt over en wij keren terug naar de garage om de rotzooi in de auto op te ruimen en onze spoedkoffer weer aan te vullen. Ondertussen nakletsend over de rit. 

Dat was nou nog eens een mooie inzet! Alles verliep soepel, we waren in no time in het ziekenhuis en ook daar was de opvang fantastisch! Dat zijn leuke ritten.
Nog leuker wordt het wanneer de politie even later komt vertellen dat de auto niet lang daarvoor als gestolen was opgegeven!
Ik schiet in de lach. Johan vraagt wat er is en ik zeg, “Ik krijg visioenen van een tegenstribbelende auto die niet gestolen wil worden, en de dief wel eens even een lesje zal leren. Ik zie hem al als een bokkend paard van links naar rechts over de weg schieten.”
“Dat is dan een lesje wat hij wel nooit zal vergeten, beter dan de gevangenis!” zegt Johan, en ook wij melden ons weer vrij.
De mercedes was voor mij de ster van de avond, ook al bracht ie het er zelf niet zo goed van af.

112 deel 5

112 Ervaringen 4

A1 Aanrijding fietser/auto

De dag is rustig begonnen, een paar B-ritten en een enkele A2. Dan krijgen we de melding: A1, Oirschot, auto/fietser, met hoge snelheid, patiënt zou er slecht aan toe zijn. Tweede wagen wordt meteen aangestuurd. 

De weg waar het gebeurd is, is een tweebaans weg met een brede met struikgewas begroeide middenberm die de weg in twee keer twee rijstroken verdeeld. Van ver zien we al waar het mis is gegaan. Een auto heeft zich een weg geploegd door de middenberm heen en ligt met zijn neus in een sloot. Aan onze kant van de weg. Terwijl de plek van aanrijding ongeveer 100 meter verderop aan de andere kant van de weg is. Dat is dus inderdaad erg hard gegaan. 

De fiets ligt helemaal aan gruzelementen aan de andere kant van de weg, maar daar is geen fietser te zien. Deze blijkt voor de auto in de sloot te liggen. Ik parkeer mijn auto zo, dat we daar enigszins bescherming van hebben mocht er iemand niet op zitten letten en doorrijden. Fend-off noemen ze dat.
Hoewel het om een behoorlijk ernstig ongeval gaat, is het vrij rustig om het ongeval heen. Geen paniek, er staan wat mensen op afstand te kijken en twee mannen zitten bij de fietser in de sloot.
We nemen de monitor, spoedkoffer, zuurstoffles en halskragen mee naar onze patiënt. Terwijl ik neer kniel bij zijn hoofd en dit vasthoud zodat hij daar niet meer mee kan bewegen, spreekt Jan hem aan.
Hij krijgt echter geen reactie, ook de pijnprikkel levert weinig op.
Een van de mannen die bij de fietser zaten, stelt zich voor als EHBO-er en vertelt wat er gebeurt is.
De fietser stak bij een fietseroversteekplaats de weg over, maar zag daarbij de auto over het hoofd. Hij werd geschept en op de motorkap meegenomen door de middenberm heen en pas toen de auto tegen een boompje aanbotste werd hij van de motorkap afgeslingerd en kwam in de sloot terecht. De auto schoof door en kwam bijna boven op hem. Erik is ondertussen naar de chauffeur van de auto gelopen, en kijkt of deze wat mankeert, maar deze kwam met een heleboel schrik vrij. Jan is bezig met het nakijken van onze patiënt volgens de ABC methode. Erik komt weer terug en geeft de patiënt zuurstof dmv een zuurstofmasker. De tweede wagen arriveert. Meer mensen komen de sloot in. We vragen de beide mannen die bij de fietser zitten om afstand te nemen en bedanken hun voor hun hulp.
Een van hen klimt uit de sloot en voegt zich bij het groepje wat op afstand staat te kijken. De ander, de EHBO-er, klimt uit de sloot maar blijft dichtbij staan. Onze patiënt ligt helemaal scheef, op zijn rug, in de sloot. Je kunt zo zien dat zijn linker onderbeen en linkerarm gebroken zijn. Jan wil hem een infuus geven en pakt de rechterarm, vanwege het letsel aan de linkerarm, maar dat blijkt een kunstarm te zijn. Dan toch maar in de linkerarm. Dit verdient uiteraard niet de voorkeur omdat je niet weet of er ook vaten in die arm kapot zijn, maar nood breekt wet. Het naaldje lukt en er wordt een infuuszak aangehangen. Onze patiënt heeft ondertussen een halskraag omgekregen en is aangesloten aan de monitor, bloeddruk, zuurstofgehalte in het bloed, drie afleidingen ECG. De waardes die we daarvan krijgen beloven weinig goeds.
Snelle hartslag, lage bloeddruk. Het wordt zaak om zo snel en goed mogelijk in het ziekenhuis te komen.
De patiënt moet op de wervelplank gelegd en gefixeerd worden.
Nu is ons geleerd om dat met een log-roll te doen en daarmee de rug zo recht mogelijk te houden. Maar als we dat hier zouden toepassen zou de patiënt alleen maar schever komen te liggen.
Geen optie dus. En we hebben haast. We besluiten om de patiënt een klein beetje te tillen en de plank er onder te schuiven. Dit gaat een stuk goed, en dan blijft de plank ergens achter hangen. Dan de patiënt maar op de plank schuiven. De EHBO-er biedt aan om te helpen, maar we zijn met voldoende mensen van ons om de klus te klaren en vragen hem weer om een stap terug te doen. Mijnheer heeft hier duidelijk moeite mee en blijft zijn hulp aanbieden. We trekken onze patiënt zo recht mogelijk op de plank, met zo min mogelijk beweging. Zijn linkerbeen glijdt als een rups mee. Duidelijk op meerdere plaatsen gebroken. We leggen hem snel vast met de spin, dit is een riemenset voor de wervelplank. Wanneer we willen gaan tillen staat de EHBO-er weer voor onze neus. We verzoeken hem weer om opzij te gaan. We tillen onze patiënt uit de sloot en leggen hem op onze brancard. Nu loopt de EHBO-er zelfs behoorlijk in de weg. Weer vragen we hem om opzij te gaan. Een van de politieagenten ziet ons probleem en spreekt de man aan.
Hierdoor kunnen wij verder en schuiven de brancard de auto in. De verpleegkundige van de tweede wagen rijdt met ons mee naar het ziekenhuis. Zijn chauffeur kijkt of we nog wat hebben laten liggen, en komt ons vervolgens rustig achterna. Wij rijden met toeters en bellen naar het ziekenhuis. 

Doordat we een goede vooraankondiging hebben gedaan, staat er in het ziekenhuis een traumateam op ons te wachten. Jan draagt de patiënt over, dwz hij vertelt wat er gebeurd is en wat zijn bevindingen zijn en wat we de patiënt allemaal hebben toegediend. Dan tillen we hem over en rijden de brancard de traumakamer uit. Ik zie het patiëntendossier van de man liggen, ongeveer een centimeter of tien dik. Van alles al overleeft en dan misschien sterven door een ongeval. 

Terwijl we de auto aan het opruimen zijn, komt de tweede wagen aanrijden. Hij had nog even met de EHBO-er en de politie staan praten. Blijkt dat de EHBO-er er moeite mee had om de patiënt “los te laten”. En daarom telkens weer terug kwam. De politie heeft er voor gezorgd dat er slachtofferhulp wordt ingeroepen. Zo blijkt de lastige bemoeial een mens in nood te zijn. Wij vergeten wel eens wat voor impact een ongeval op een omstander kan hebben, ongeacht of het nu een ernstig ongeval is of niet. 

Mocht je zelf ooit bij een hulpverlening ergens tegen aan lopen waar je niet mee uit de voeten kunt aarzel dan niet om slachtofferhulp te bellen, vind je die stap te groot, dan kun je altijd bij onze instructeurs en bij mij terecht voor een luisterend oor.
Maar doe tijdens de hulpverlening wel een stap terug als hier om gevraagd wordt. Hoewel dit dus best moeilijk kan zijn.  

Lia Verberne.

112 Ervaringen 3

Zomaar een B-rit

Ik zit in de laatste week van mijn inwerktraject. Jan en uiteraard Erik, mijn werkbegeleider, zijn mijn collega’s van die dag. We krijgen een B-rit, een patiënt moet van zijn huisadres naar hospice De Regenboog. Dit is een tehuis waar terminale patiënten naar toe gaan om te sterven.  

Bij het huisadres aangekomen, wordt de deur voor ons open gedaan door de zoon van de mijnheer die wij op komen halen. We stellen ons voor en lopen achter de man aan naar binnen. Daar zijn ook de schoondochter en de vrouw van onze patiënt. De patiënt zelf ligt in een bed in de huiskamer bij het raam, met uitzicht op een schitterende tuin. Zijn ogen zijn dan ook daar op gericht als wij binnen komen. Nadat we ons aan de rest van de familie hebben voorgesteld, lopen we naar het bed toe en geven ook mijnheer een hand. Zijn ogen zijn helder en kijken ons recht aan, maar de hand die we krijgen is mager en krachteloos. Zijn lichaam is gesloopt door de tumoren die inmiddels overal zitten. Mijnheer werd al maanden liefdevol verzorgd door zijn familie, maar heeft nu zoveel hulp nodig dat het thuis niet meer gaat. 

We maken onze brancard in orde en tillen mijnheer vervolgens heel voorzichtig over. De familie staat er een beetje verloren bij, wetend dat dit de laatste keer is dat hij thuis is. Weer een stap dichter bij het definitieve afscheid.

We zorgen ervoor dat mijnheer zo comfortabel mogelijk op de brancard ligt, een kussentje hier en daar, de hoofdsteun in de juiste stand. Dan zijn we klaar voor vertrek. Jan vraagt of er iets is wat we nog voor mijnheer kunnen betekenen. Of hij nog ergens naar toe zou willen, of zo. “Ik denk dat hij heel graag zijn vogeltjes en zijn tuin nog een keer zal willen zien. Sinds hij niet meer in de rolstoel kan zitten is hij daar niet meer geweest.” zegt zijn vrouw meteen. “Maar hebben jullie daar dan tijd voor?”

“Mevrouw, daar maken we gewoon tijd voor.” antwoord Jan.

We rijden de brancard via de achterdeur de tuin in. De tuin is werkelijk schitterend. Over keurig aangelegde paadjes komen we langs de prachtigste bloemen en een mooie vijverpartij. We lopen heel langzaam, zodat hij alles goed kan zien. De zon staat te stralen aan de hemel en mijnheer geniet zichtbaar van de warme stralen op zijn huid. “Dit was mijn hobby” zegt hij “alles zelf aangelegd en geplant en ook de volière heb ik zelf gebouwd.”“Het is prachtig” zeggen wij, bijna in koor. En we zien hem groeien van trots. “Mijn zoon heeft hem voor me onderhouden en mijn vrouw heeft voor de vogeltjes gezorgd.” We parkeren de brancard naast de volière, zodat hij zijn vogeltjes goed kan zien. Zijn vrouw, zoon en schoondochter komen bij hem staan en pakken zijn hand vast. De stilte is veelzeggend en wordt alleen onderbroken door het gezang van zijn vogeltjes. Wij trekken ons terug en laten hen alleen. Met zijn drieën staan we in een hoekje van de tuin, ieder met zijn eigen gedachten en herinneringen. Maar geen van allen met helemaal droge ogen. 

Dan worden we door de zoon gehaald. “Kom maar, hij wil gaan. Ontzettend bedankt.” Zegt hij. We lopen naar de brancard toe. Tranen in de ogen van de familie. In de ogen van mijnheer is ook berusting te zien. “Dank jullie wel, laten we maar gaan, het is goed zo.” We verlaten de tuin met hetzelfde rustige tempo als we gekomen zijn. Nadat we de patiënt bij de hospice in bed hebben gelegd worden we nogmaals uitvoerig bedankt door de familie. “Voor ons een kleine moeite, voor jullie zo waardevol.” zegt Jan. En we stappen weer in onze wagen.  

Zomaar een B-rit.  

112 Ervaringen 2

Ervaringen van Lia Verberne
(Ambulance Chauffeur)
 

Een nieuwe werkdag is begonnen. We zijn rustig gestart met enkele B-ritten. Het is nog steeds gedurende mijn inwerkperiode, dus nog steeds drie man op de auto. Erik, mijn werkbegeleider, Jan de verpleegkundige en ik uiteraard. We hebben zojuist weer een nieuwe b-rit doorgekregen, maar voor we goed en wel op weg zijn krijgen we een koerswijziging door. A1 reanimatie. Mijn eerste. 

Tijdens de rit ernaartoe vliegen de gedachten door mijn hoofd. Wat ga ik er allemaal aantreffen en kan ik het allemaal wel aan? Op een pop oefenen is niet zo moeilijk, maar als het echt is wordt het wel even wat anders. Ik vertrouw op de vaardigheden en de ervaring van mijn collega’s. Na ons door het drukke verkeer heen geloodst te hebben komen we na 5 minuten ter plaatse. De eerste wagen is er al. Bij een reanimatie worden altijd twee auto’s aangestuurd. Niet omdat er een speciale hartwagen is, maar puur voor de extra handjes. De spullen die we nodig hebben worden uit de als eerste gearriveerde wagen gehaald en dat is ook de wagen die de patiënt gaat vervoeren. Aan alle kanten van onze auto vliegen de deuren open. Een snelle blik in de eerste wagen om te kijken of er nog iets mee naar binnen moet. Erik springt in de wagen en grist het beademingspaneel mee. Dan met zijn allen naar binnen.

Zodra de voordeur open gaat zien we onze patiënt liggen. Het is smal in het kleine halletje. Ron, de verpleegkundige van de eerste wagen, zit aan het hoofd van een oudere vrouw die languit op de grond ligt. Zijn chauffeur Willem is aan het masseren terwijl hijzelf met een speciale ballon de vrouw aan het beademen is. Achter hun staan de dochter en de man, volledig overstuur. Ron vertelt wat hij bij aankomst aangetroffen heeft. “De patiënt had geen hartslag, we hebben haar aangesloten met de Quick-look aan de monitor en toen bleek ze een VF te hebben, (dit is een fibrilerend hart). We hebben meteen schokken toegediend, daarna kwamen jullie binnen.” Mijn collega’s knikken, ze weten wat hun te doen staat.“Eerste reanimatie?” vraagt Ron aan mij. Ik knik.“Wil je wat doen, je mag ook alleen kijken.” “Ik neem het masseren wel over” zeg ik en neem plaats langs de patiënt. Zodra Willem zijn handen van de borstkas afhaalt plaats ik mijn handen erop. Direct na de beademing van Ron start ik de massages. Al bij de eerste massage hoor ik een knappend geluid en ik voel onder mijn handen een rib breken. Vreselijk. Ik ga door maar kijk tegelijk Ron aan. “Geeft niets gewoon doorgaan, je doet het goed.” zegt hij. Willem staat op en neemt de familie mee naar de woonkamer. Erik legt de spullen voor de intubatie klaar en assisteert Ron bij het inbrengen van de tube (een buisje in de luchtpijp waardoor je beter kunt beademen en er geen braaksel meer in de longen kan komen). Ondertussen brengt Jan een naald aan bij de vrouw, voor de toediening van de medicatie. Ondanks het feit dat we met zijn vieren met een patiënt bezig zijn en er van alles tegelijk lijkt te gebeuren verloopt alles opmerkelijk rustig. Het hartritme wordt weer beoordeeld door Ron, nog steeds VF. De defibrillator wordt geladen.“Iedereen los!” roept Erik “1, 2, 3, klappen.” Een schok gaat door het lichaam van de vrouw. Het ritme wordt wederom beoordeeld. Asystolie, een stilstaand hart. Doorgaan met massages. Ik plaats mijn handen en begin weer te masseren. Het beademingspaneel wordt aangesloten. Medicatie wordt toegediend.We werken ons protocol af, maar we weten eigenlijk allemaal de uitkomst al. De huisarts, die door Willem gebeld was, komt binnen. Ron brengt de huisarts op de hoogte en in overleg wordt besloten om de reanimatie te stoppen. De huisarts gaat naar de familie toe en vertelt het slechte nieuws. Ondertussen halen wij alle kabels, naalden en dergelijke van de patiënt af en leggen haar in de slaapkamer in het bed. Ron legt een handdoek onder haar kin zodat de mond niet open staat en haalt nog even een kam door haar haar.Dan gaat hij naar de huiskamer om de familie te halen. Erik, Jan en ik lopen alvast naar buiten en melden ons vrij bij de meldkamer. We ruimen het materiaal van de eerste wagen op en vullen de spoedkoffer aan met spullen uit de auto. Ondertussen wordt er geëvalueerd. Ik vraag aan Erik of hij gezien had hoe ik gestart was met de massages en of de plaatsing van mijn handen wel goed was. “Er was niets mis met je massages, maar het ging hier om een oudere dame en die hebben nou eenmaal broze botten en minder soepele gewrichten, dan breekt er nog wel eens wat.”“Ik vond het wel een rot gevoel.” zeg ik. “ En wat gebeurde er toch een hoop in zo’n korte tijd.” Ron en Willem komen nu ook naar buiten gelopen. “Jeetje, ze kwamen net van het bespreken van een zaal voor hun 50-jarige bruiloft af.” zegt  Ron. “Je eerste dode?” vraagt hij aan mij. “Ja.” antwoord ik, onder de indruk, mijn ouders zijn ook bijna 50 jaar getrouwd. De pieper gaat, een nieuwe B-rit.We nemen afscheid en stappen in de wagen op naar de volgende rit. Zo onwerkelijk en toch zo echt. De volgende dag wordt ik door verschillende collega’s aangesproken over de reanimatie, ze willen weten hoe het met me gaat. Ik kan diverse malen mijn verhaal vertellen en merk dat ik hierdoor alles veel beter een plaats kan geven.  Geweldige collega’s.   

Image

112 Ervaringen 1

Op de ambulance, dat leek me wel wat. Na heel wat zenuwslopende sollicitatiegesprekken, eerste commissie, tweede commissie, psychologische beoordeling, (JA, ook daar ben ik doorheen gekomen) ben ik uiteindelijk zover dat ik op de wagen mag. Mijn inwerkperiode is officieel begonnen.

De komende 6 weken ga ik als derde persoon meerijden en de fijne kneepjes van het vak leren. Mijn collega-chauffeur heeft een speciale cursus gevolgd om nieuwe mensen in te werken. De eerste dagen mag ik alleen maar kijken. En ik kom vaak ogen tekort! Tijdens de A1 ritten ( mogelijk levensbedreigend ) met toeters en bellen door het verkeer, of in huizen komen waar je niet kan zien wat de kleur van de vloerbedekking is vanwege het vuil dat er ligt, hulpverleningen die zo snel en efficiënt gaan dat ik nauwelijks bij kan houden wat mijn collega’s allemaal aan het doen zijn.

Er komt een enorme hoop informatie en nieuwe indrukken op me af, zodat ik af en toe het idee heb dat mijn hoofd overstroomt.

De ambulance van binnen en van buiten leren kennen, alle medische termen die ik te horen krijg, veel nieuwe collega’s ontmoeten. Het houdt niet op.

Vervolgens mag ik steeds meer gaan assisteren. Medisch en rijtechnisch. Eerst mag ik alleen de rustige ritten rijden, de B (besteld vervoer ) en de A2, ( direct hulp nodig, maar niet levensbedreigend ). Ik leer de weg lezen, beheerst afremmen en optrekken, kuilen en spoorvorming ontwijken.

Of zoals wij het noemen: creatief rijgedrag. Soms betekent dit dus letterlijk slingerend de weg over om de kuilen te ontwijken.

Natuurlijk mocht ik in het begin nog geen A1 rijden. De mensen om ons heen hebben vaak raar opgekeken, wanneer we met z’n tweeën uit de auto sprongen, vlug van plaats verwisselden en vervolgens met toeters en bellen wegreden.

Maar na heel wat brave ritjes, waarbij ik wel leerde hoe je de patiënt zo comfortabel mogelijk in het ziekenhuis kreeg, is het dan toch zover.

Ik mag A1 naar een patiënt toe rijden.

De adrenaline stijgt onmiddellijk tot grote hoogte. SPANNEND!!

De melding is een patiënt met pijn op de borst, mogelijk hartproblemen dus. We stappen in de auto en terwijl mijn werkbegeleider de landkaart erbij pakt en de aanrij route bepaalt, vliegen mijn vingers over de diverse knoppen om alle signalen in te schakelen en de meldkamer te laten weten dat we vertrekken. Gordels vast en we zijn weg.

De geluidssignalen klinken als muziek in mijn oren terwijl ik me een weg baan door het verkeer. Ik zoek de weg van de minste weerstand op, dit wil zeggen gebruik maken van de rijstroken die vrij of bijna vrij zijn. Ondertussen roept mijn begeleider nog wat aanwijzingen door. Blijf de koers houden die je van plan was, laat je medeweggebruikers opzij gaan en gun ze daar ook de tijd voor. Hoe meer je ze opjaagt, hoe gekker ze kunnen reageren. Kijk ver vooruit, maar houd je blikveld ook breed. We komen bij een rotonde, de mensen voor mij gaan ondanks mijn richtingaanwijzer die naar rechts staat, in de eerste zijstraat staan en denken zo mij voorbij te laten rijden. Laat ik nou net die afslag moeten hebben! Ze weten niet hoe snel ze weg moeten komen, wanneer ze in de gaten krijgen dat ik hun weg in wil. Handige tip: rij op een rotonde een extra rondje, dan raak je de ambulance vanzelf een keer kwijt en kun je weer rustig je weg vervolgen.

Er mocht tijdens de rijopleidingen sowieso meer aandacht zijn voor het fenomeen hulpverleningsvoertuigen. Sommige mensen schrikken zo erg en willen vervolgens vlug opzij gaan, waarbij ze soms zelfs hun eigen auto beschadigen. Dit is natuurlijk nooit onze bedoeling. Dus rij alsjeblieft niet je auto in de vernieling alleen maar om ons te laten passeren. Ga bijvoorbeeld bij een kruising wel opzij maar rij niet de kruising over. Ze rijden ons al vaak bijna van de weg af. En ik dacht dat wij toch eigenlijk wel opvallen.

Maar goed, terug naar de rit. Na heel wat halsbrekende toeren uitgehaald te hebben, komen we aan bij de patiënt. Mijn collega’s hebben onderweg geen groene kleur gekregen, dus ik ga er vanuit dat ik niet te wild gereden heb. Maar ondertussen heb ik het zweet in mijn handen staan en is de adrenaline tot voorbij mijn oren gestegen.

Eenmaal binnen blijkt onze patiënt, na de nodige controles, een dijk van een hartinfarct te hebben. Bij het opentrekken van de medicatie heb ik moeite om mijn handen stil te houden. Mijn begeleider ziet het en lacht stiekem. De patiënt wordt op de brancard gelegd en in de auto gebracht. Mijn begeleider rijdt naar het ziekenhuis, terwijl ik naast hem zit en langzaam tot rust kom.

“Sterk spul hé, die adrenaline.” zegt mijn begeleider glunderend, terwijl hij relaxed met A1 door het verkeer rijdt.

“Ja, die doet het ongelofelijk goed!” is mijn antwoord.

Mijn eerste A1 rit zal ik wel nooit vergeten. Hoewel er ongetwijfeld nog vele zullen volgen.

Image